Het Meten van je Lichaamsvetpercentage: Een Diepgaande Gids

Wanneer je aan fitness of krachttraining doet, kom je al gauw in aanraking met de term: vetpercentage. Maar ook wanneer je wilt afvallen of gewoon bewust met je gezondheid actief bent, dan is het vetpercentage waarschijnlijk geen onbekende term of getal. Het vetpercentage is een veel betere indicatie voor je conditie en gezondheid dan je gewicht of de Body Mass Index (BMI). Immers, je weegschaal en de BMI-index kennen het verschil niet tussen spier- en vetweefsel, waardoor personen met relatief veel spiermassa vaak ten onrechte als ’te zwaar’ worden geclassificeerd. Het vetpercentage zegt namelijk meer dan het lichaamsgewicht of de Body Mass Index.

Het meten van je vetpercentage kan op verschillende manieren. Er zijn verschillende methodes voor waarbij het vetpercentage gemeten wordt met een huidplooimeter en speciale weegschalen. Het meten van het vetpercentage is een nauwkeurige manier om achter de lichaamssamenstelling te komen.

Waarom het Meten van je Lichaamsvetpercentage Belangrijk is

Het lichaamsgewicht en de Body Mass Index, of BMI, geven hier geen inzicht in. Het meest gebruikte getal voor het meten van iemands gezondheid is nog steeds het gewicht. Maar feitelijk zegt het getal op de weegschaal bar weinig. Het is een samengesteld getal van alles wat gewicht levert aan je lichaam: botten, vocht, spiermassa en vetmassa. Er wordt verder geen onderscheid gemaakt tussen deze variabelen. Op die manier kan iemand met een hogere spiermassa al gauw te hoog uitvallen qua gewicht. Een van de bekendste termen om gewicht uit te drukken in lichaamslengte is de Body Mass Index, of beter bekend als BMI. De Body Mass Index is een indexgetal waarbij het gewicht wordt uitgedrukt op basis van de individuele lengte van iemand. Op basis van de uitkomst word je tegen een gemiddelde groep aangehouden en is de kans groot dat je al gauw aan de boven- of onderkant uitkomt van die groep. Het BMI-getal zegt verder ook niets over de samenstelling tussen spiermassa en vetmassa. Toch wordt BMI nog steeds gebruikt als graadmeter voor algehele gezondheid. Zo wordt bij nieuwsberichten waarbij de Nederlandse bevolking wordt ingeschaald in te zwaar of niet te zwaar nog steeds BMI gebruikt als graadmeter. Waarschijnlijk wordt BMI nog veel gebruikt vanwege de eenvoud van de berekening. Om een beter beeld te krijgen van de lichaamssamenstelling is het vetpercentage een betere meting.

Wanneer je specifiek aan het trainen bent richting een fysiek, dan wil je je progressie zo nauwkeurig mogelijk meten. Het vetpercentage is het procentuele aandeel van vet op de totale lichaamsmassa. Een man van 80 kilo en een vetpercentage van 16 procent heeft 12,8 kilo aan vet. Een te hoog vetpercentage is ongezond maar een te laag vetpercentage is net zo goed. Veel lichaamsvet is niet goed voor de gezondheid en brengt op lange termijn een risico met zich mee voor hart- en vaatziekten, hoge bloeddruk en diabetes. Vet speelt een belangrijke rol in je gezondheid. Het slaat energie op, beschermt je organen en helpt bij je hormoonbalans. Wat gezond is, verschilt per persoon. Het hangt af van je leeftijd, geslacht en hoe actief je bent.

Het vetpercentage wat je meet zegt in principe niks. Wanneer jij een bodybuilding wedstrijd of shoot gaat doen staat daar niet bij wat voor een vetpercentage je hebt. Je doorsnee weegschaal. Je hebt de standaard metingen doormiddel van elektriciteit (bio-elektrische impedantie), zoals de weegschaal. Doormiddel van een formule die bestaat uit elektroden die door het lichaam gestuurd worden en de weerstand hiervan, wordt door je weegschaal je vetpercentage berekend. Spiermassa bevat een hoog watergehalte en is zeer geleidend. Vet bevat daarentegen een lage waterhoeveelheid en geleidt niet goed. Gooi deze info in een formule en meet hoe lang elektroden erover doen om van a naar b (linkervoet naar rechtervoet) te komen en je hebt een indicatie. Deze metingen zijn zeer onbetrouwbaar. Deze meet meestal maar een deel van het lichaam (onderlichaam) en is heel makkelijk beïnvloedbaar. Drink je namelijk 2-3 glazen water extra, dan is je vetpercentage in 1x 1-2% hoger. Wil je toch deze methode gebruiken, doe dat dan altijd in exact dezelfde omstandigheden.

Verschillende Methoden om je Vetpercentage te Meten

Het enige moment waarop je je vetpercentage exact kunt meten, is wanneer dit je niets meer kan schelen. Dit kan namelijk alleen accuraat wanneer je dood bent en men in je lichaam exact het gehalte vet kan bepalen. Hiernaast is er geen enkele methode die geheel accuraat is. Het beste is dan ook om twee verschillende methoden te gebruiken wat het in praktijk weer lastiger maakt.

1. De Huidplooimeting

Met de huidplooimeting bepaal je op de meest nauwkeurige manier je vetpercentage van je lichaam. Hoe gaat deze vorm van meting? Allereerst heb je een huidplooitang nodig. Met deze huidplooitang kun je de dikte van de huidplooi meten op verschillende plaatsen op het lichaam. Deze plaatsen worden als inschatting gebruikt voor de totale vetmassa van het hele lichaam. Wanneer je structureel aan de slag wilt gaan en vooruitgang wilt boeken is het meten van je vetpercentage een elementair onderdeel. Op basis van je vetpercentage kun je je vetvrije spiermassa berekenen. Een huidplooimeting is de beste methode om de ontwikkeling van vetpercentage over verschillende delen van het lichaam te meten. Je meet de dikte van de huid op diverse punten. Mits consequent uitgevoerd, tonen deze metingen weinig afwijkingen van meting tot meting. De accuratesse van de meting zelf is dus vrij hoog. Vervolgens echter moeten deze metingen worden omgezet in een mooi getal dat je vetpercentage weergeeft en daar kan het fout gaan. Er bestaan hiervoor verschillende berekeningen op basis van verschillende doelgroepen (jong/oud, overgewicht/geen overgewicht). Zolang de juiste berekening wordt toegepast op de juiste doelgroep lijken deze geschikt. In praktijk wordt echter vaak één en dezelfde berekening toegepast op iedereen.

Het vetpercentage kan op diverse manieren gemeten worden, waarbij de bekendste manier de huidplooimeting is. Het is een meting om vast te stellen hoe de lichaamssamenstelling qua vetvrije spiermassa ervoor staat en hoe de verhouding met de vetmassa is. Onmisbaar bij het bulken en cutten. Er zijn diverse huidplooimeters, of tangen verkrijgbaar, waarbij het de bedoeling is dat je op diverse plekken op het lichaam de huidplooien opmeet en de millimeters bij elkaar optelt. Zo bestaat er de vierpuntshuidplooimeting en de zevenpuntshuidplooimeting. Bij de vierpuntshuidplooimeting van Durnin en Womersley wordt de huidplooimeting uitgevoerd in het midden van de biceps en in het midden van de triceps, onder het schouderblad oftewel de subscapulaire plooi en in je zij, de supra-iliacale plooi. Terwijl er bij de zevenpuntshuidplooimeting de huidplooien van de borst, buik en dijen ook worden gemeten. Zoals aangegeven wordt er bij een huidplooimeting gekeken naar de dikte van de huidplooi op verschillende plekken op het menselijk lichaam. Het vetpercentage meten met behulp van een huidplooimeter blijft de meest betrouwbare vorm van de vetpercentage meting.

De huidplooimeter wordt veel gebruikt onder coaches en personal trainers. Hierbij ben je compleet afhankelijk van hoe vaardig en nauwkeurig de afnemer van de meting is. Een probleem met deze meting is dat coaches en personal trainers nogal biased zijn als het om een vervolg meting gaat. Uiteraard wil je dat de cliënt progressie heeft geboekt. Wat in veel gevallen betekent vetpercentage verlaging of minimale toename in een bulk. Dus wanneer jouw gewicht compleet gestagneerd is dan wil de kreet “Je hebt spiermassa aangezet en bent daarom niet afgevallen” nog wel eens eruit komen. En je raad het nooit, uit de huidplooimeting komt ineens een lager vetpercentage. Het volgende probleem bij huidplooimetingen is de consistentie. Hoe weet je dat de persoon op precies dezelfde plek jouw huidplooi pakt? Doet dezelfde PT’er wel de meting, of is die er toevallig vandaag niet? Heb je wel getraind of niet getraind en hoe was dit de vorige keer? Consistentie is key. Zorg er dus bij alles voor dat je je handelingen wekelijks kunt herhalen zonder veel afwijkingen. Wanneer je op wekelijkse basis je plooien checkt en je zit in een afvaltraject en je ziet de millimeters omlaag gaan, dan weet je dat je goed zit. Weet je dan je vetpercentage? Nee. Een coach met veel ervaring zal je vetpercentage aardig kunnen inschatten, maar nog belangrijker ook in kunnen schatten waar je naar toe moet werken om het fysiek te behalen van je doelstelling.

Met een speciale tang wordt op enkele standaardpunten de dikte van de huidplooi gemeten. Die plekken zijn je biceps, triceps, vlak onder het schouderblad en bij je buik. De nauwkeurigheid van een huidplooimeting hangt samen met de verdeling van lichaamsvet, die van persoon tot persoon verschilt, én van de persoon die de meting uitvoert. Immers, het te veel of te weinig druk uitoefenen op de tang resulteert in een lagere respectievelijk hogere meting en ergo een te lage respectievelijk te hoge schatting van het vetpercentage. Je kunt een huidplooimeting dus het best laten uitvoeren in een (sport)medisch centrum of in één van de betere sportscholen. Wil je het toch liever zelf doen? Houd dan rekening met een grotere afwijking: tot wel 5 procent. Huidplooimeters zijn online volop verkrijgbaar. Met wat instructies die je op het internet vindt en een conversietabel kun je dan zelf je vetpercentage schatten. Een andere optie is een elektronische huidplooimeter. Hierbij geef je je geslacht, leeftijd en gewicht in, meet je de huidplooidikten op de betreffende (meestal drie) punten van je lichaam, waarna het apparaatje meteen je vetpercentage op het display weergeeft. De huidplooimeting is, zeker voor bodybuilders, waarschijnlijk veruit de beste methode om het lichaamsvetpercentage zelf te meten.

De meest bekende huidplooicalculators zijn die van Jackson/Pollock, Parrillo en Durnin/Womersley. Welke hiervan het meest accuraat is blijft een discutabel punt, maar de 4-punts Durnin/Womersley methode geeft meestal een schatting die niet onrealistisch laag is en voor een groot deel van de populatie het meest nauwkeurig is. Komen we alleen gelijk bij een nadeel aan: Op 1 punt na kun je geen enkele van deze punten zelf meten! Om die reden raden we jullie de 3-punts Jackson/Pollock methode aan. Hierbij wordt voor mannen de borst, buik en het bovenbeen gemeten. Voor vrouwen zijn dit de triceps, suprailliac (zijkant van de buik) en het bovenbeen. Dit zijn punten die doorgaans prima zelf gemeten kunnen worden, met misschien als uitzondering de triceps. Hiervoor kunnen de dames even hulp vragen aan een vriendin/familielid/sportmaatje, of je kunt proberen om je arm recht vooruit te steken en dan de huidplooi vast te pakken.

Huidplooimeting met huidplooimeter

2. Bio-elektrische Impedantie Analyse (BIA)

Naast de huidplooimeting kun je ook gebruik maken van de bio impedantiemeting, ook wel bio elektrische impedantie analyse (BIA) genoemd. Dit gebeurt door op een weegschaal te staan waarbij de handen en voeten contact maken met de elektroden. De weegschaal stuurt dan vervolgens een kleine elektrische lading door je lichaam. Het weefsel met veel water, zoals bloed en de vetvrije spiermassa geleiden deze elektrische lading erg goed, terwijl vetmassa niet goed geleidt. Des te hoger de vetvrije spiermassa, des te groter is het geleidingsvermogen van je lichaam. Andersom betekent dit dat hoe hoger de vetmassa is, des te lager is het geleidingsvermogen.

De Bio-elektrische Impedantie Analyse-methode (BIA-methode) is een eenvoudige, relatief goedkope en redelijk nauwkeurige manier om je lichaamsvetpercentage te (laten) meten. Er worden twee elektroden op het lichaam aangebracht: één op je pols en één bij je enkel. Vervolgens wordt er een niet-voelbaar stroompje door je lichaam van de ene naar de andere elektrode gestuurd en wordt de weerstand tussen die twee elektroden gemeten. Omdat spiermassa een relatief goede en vetmassa een relatief slechte geleider is van elektriciteit, kan uit die weerstand (via een vergelijking die ook rekening houdt met variabelen als lichaamslengte en geslacht) het vetpercentage worden afgeleid. Een moderne variant op de traditionele BIA-methode is de BIA-methode van Tanita, waarbij je enkel met je voeten op twee elektroden hoeft te gaan staan en je in luttele seconden je vetpercentage op het display kunt aflezen. Originele Tanita-weegschalen en klonen daarvan zijn inmiddels in bijna elk huishouden te vinden. De prijs van consumentenweegschalen die je lichaamscompositie voorspellen ligt tussen de € 20 en € 200. Populair zijn de zeer betaalbare lichaamsanalyse-weegschalen van Medisina, die in tests als redelijk nauwkeurig naar voren komen. Professionele, medisch gevalideerde weegschalen die je in veel sportscholen terugvindt zijn vele malen duurder (>€ 2.000) en geven een meer nauwkeurige voorspelling. Deze weegschalen hebben foutmarges van 1-5+% en zijn daarom beter geschikt voor het monitoren van schommelingen in je lichaamsvetpercentage dan een nauwkeurige voorspelling hiervan.

Een andere erg bekende methode om je vetpercentage te berekenen is de bio-impedantiemeter. In de volksmond beter bekend als een weegschaal die naast je gewicht ook je vetpercentage laat zien. Een geweldige, simpele methode om je vetpercentage te achterhalen. Helaas is er wel één nadeel: dat gemak komt met een grote kost, namelijk de accuraatheid! Een bio-impedantiemeter is er te vinden in óf een weegschaal, óf een apparaatje die je met beide handen vasthoudt. Beiden werken op eenzelfde manier: ze geven een stroomstootje af en meten de tijd die het nodig heeft om weer aan de andere kant (been of arm dus) uit te komen. Vet bestaat uit veel minder water en maakt het daarom ook moeilijker voor elektriciteit om te passeren. Hoe meer vet je hebt, hoe langer het dus zal duren tot het stroomstootje terug is, hoe hoger je vetpercentage.

De theorie hiervan is geweldig, maar helaas werkt het niet zo rooskleurig. Allereerst zal het stroomschokje altijd de weg van de minste weerstand kiezen. Wanneer de mogelijkheid er dus is om via water te reizen in plaats van vet, zal het vetweefsel lachend gepasseerd worden. Daarnaast bestaan bio-impedantiemeters slechts uit 2 elektroden. Ofwel 2 bij de voeten in het geval van een weegschaal, of 2 voor je handen. Het mag voor zich spreken dat bij beide methodes één helft van je lichaam volledig wordt overgeslagen. Tot slot is de precisie van de meting in het algemeen ronduit slecht. De mate van hydratatie alleen al kan een enorme invloed hebben op de uitkomst van een meting. Meet jezelf voor de grap eens voor een pittige interval cardio-training en direct erna. Waarschijnlijk zegt de weegschaal je dat je een aantal procent in lichaamsvet bent gestegen. Hoe dit kan? Je hebt veel vocht verloren, waardoor het stroomstootje minder snel je lichaam kan passeren, er is tenslotte minder water aanwezig. De bio-impedantiemeting is dus misschien wel de meest eenvoudige meting en doordat het allemaal automatisch gaat lijkt het erg ‘high-tech’. Helaas komt dit met de kost van een slechte nauwkeurigheid.

Als je je eigen weegschaal hebt, weeg je dan steeds op hetzelfde tijdstip en onder zoveel mogelijk dezelfde condities. Voor een enigszins nauwkeurig beeld is het belangrijk dat je een normale vochtbalans hebt. Weeg je niet direct na het opstaan, omdat je lichaam is uitgedroogd na een nacht slapen. Ook de inname van voeding kan de meting minder nauwkeurig maken.

Digitale weegschaal die vetpercentage meet

3. De US Navy Methode

Maak kennis met de United States Navy! Het Amerikaanse leger is een organisatie waarbij gezondheid en welzijn belangrijk zijn voor het functioneren van de werknemers. Al snel werd de link gelegd met lichaamsgewicht, met name overgewicht. Om die reden heeft de Amerikaanse Marine in 1984 in hun onderzoekscentra lichaamsvet calculaties ontwikkeld gebaseerd op onderwater wegingen. Ze zijn metingen met een meetlint gaan vergelijken met de resultaten van een veel betrouwbaardere methode en vonden opvallend veel gelijkenissen tussen beide! Op die manier is de US Navy Body Fat Calculator tot stand gekomen. Een methode waarbij je lengte, omtrek van je nek en omtrek van je taille in een calculator worden gestopt en hieruit een vetpercentage voortvloeit. Laten we duidelijk zijn: nee, deze methode gaat niet de meest accurate weergave zijn van je vetpercentage. Door middel van 2 omtrekken kun je natuurlijk lang niet alles zeggen over iemands vetpercentage. Maar toch is gebleken dat het wél een hele goede indicatie is en dat de consistentie hiermee erg goed is. Een tekortkoming van de huidplooimeting is namelijk dat de precisie van de metingen doorslaggevend is. Bij het meten van een omtrek is de kans op fouten veel kleiner.

Er zijn online diverse calculators te vinden die je lichaamsvetpercentage afleiden van je leeftijd, gewicht en de afmetingen van bijvoorbeeld je nek, taille en heup. Een veelgebruikte en redelijk nauwkeurige berekening is de US Navy equation, die volgens sommige bronnen hooguit 1 tot 3 procent zou kunnen afwijken. Het enige wat je hierbij hoeft te doen is je de omtrek van je nek en die van je middel, ter hoogte van de navel, te meten. Houd je buik ontspannen, dus niet naar binnen trekken, maar ook niet naar buiten duwen.

4. Geavanceerdere Methoden (DEXA, Hydrostatisch Wegen, Bod Pod)

Wanneer je naar wat nauwkeurigere metingen gaat, kom je bij een hydrostatische weging (onderwater weging), BODPOD en DEXA scan uit. Dit zijn apparaten van 10.000 euro of duurder en worden ook regelmatig gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek. Nog steeds kunnen deze methodes een foutmarge van +/-3% bevatten. Stel hij geeft 10 aan dan kan dit dus 7 of 13 zijn in het uiterste geval.

Een lichaamsscan met behulp van DEXA-technologie (dual-energy x-ray absorptiometry) is één van de nauwkeurigste methoden om je lichaamssamenstelling op te meten. De techniek werkt met behulp van straling en is oorspronkelijk bedoeld om botdichtheid te meten. Een DEXA-scan meet de vetpercentages per regio van het lichaam (armen, benen, billen, buik enzovoort), waardoor je ook een beeld krijgt van hoe het vet in jouw lichaam verdeeld is. DEXA-scans kun je alleen in ziekenhuizen en bij sommige fysiotherapeuten laten uitvoeren. Meestal kost zo’n scan je minimaal 50 tot 100 euro. Eveneens accurate, maar minder conventionele methoden om je lichaamsvetpercentage te laten meten zijn hydrostatische weging (onderwaterweging) en plethysmografie (luchtverplaatsing). Veruit de méést nauwkeurige methode is evenwel autopsie.

Een Dexa meting is eigenlijk bedoeld om botdichtheid te meten. Ook DEXA kan afwijkingen vertonen op basis van eigenschappen van de persoon zoals leeftijd, vetpercentage en in sommige gevallen ziekte. Botdichtheid wordt accuraat weergegeven maar de metingen van het weefsel daaromheen kunnen dus toch afwijkingen vertonen. Het is dus geen “gouden standaard” hoewel dit door vele aanbieders wordt beweerd. Omdat er dus geen methode bestaat om de accuratesse mee te vergelijken. Een DEXA scan heeft diverse nadelen. Een daarvan is de prijs. Afhankelijk van waar je deze laat uitvoeren kan deze rond de 50 euro kosten. Nogal duur als je wekelijks een meting wilt laten verrichten.

Dan hebben we nog Hydrostatisch wegen. Om de werking daarvan te begrijpen moeten we terug naar Archimedes. Archimedes ontdekte dat een voorwerp dat je in water onderdompelt net zoveel lichter wordt als de hoeveelheid water die hierdoor verplaatst wordt. Aan de hand hiervan kan je de dichtheid bepalen van dat voorwerp (Dichtheid=massa ÷volume). Hydrostatisch wegen is vrij nauwkeurig maar houdt geen rekening met het feit dat het verschil in vetvrije massa en vetmassa verschilt op basis van onder andere leeftijd en geslacht. Ook moet rekening gehouden worden met lucht in de longen waardoor je alle lucht moet uitblazen. Nooit fijn als je vervolgens wordt ondergedompeld in water. Sowieso zou ik het zelf niet zien zitten om wekelijks gedoopt te worden om m’n vetpercentage bij te houden.

Wat makkelijker is dan de bod pod, of Air Displacement Plethysmography. Een paar jaar geleden zagen we op de FIBO in Keulen een 3D body scanner die gebruik maakte van de camera van de XBox Kinect. De 3D body scanners groeien in populariteit. Ze gebruiken verschillende soorten camera’s en technologie om het lichaam in kaart te brengen. Er valt dan ook weinig te zeggen over de accuratesse van het vetpercentage zoals ze dit inschatten. De 3D bodyscan zou ik dan ook naast een andere meting van het vetpercentage gebruiken en niet voor de vetmeting zelf. Net zoals de huidplooimeting kan het inzicht geven in de verschillende delen van het lichaam, maar dan op een makkelijkere en visuele wijze.

DEXA scan apparaat

Welke Methode is het Beste voor Jou?

In praktijk kan je jezelf het beste afvragen welke methode het beste is voor jou. Waarom wil je het vetpercentage eigenlijk weten? Om je voedingsbehoefte te berekenen? Bedenk dan dat met je vetpercentage vervolgens een berekening wordt gemaakt die slechts een beste inschatting is van je behoefte. Gaat het je vooral om het bijhouden van progressie? Dan is het getal zelf op zich niet heel interessant. Het gaat er dan vooral om hoe dit getal zich ontwikkelt over de tijd. Kies dan voor een makkelijke methode en voer de meting zoveel mogelijk onder dezelfde omstandigheden uit. Het maakt dan namelijk niet zozeer uit dat jouw meting 14% aangeeft in plaats van 16%.

Bepaal op basis van je budget en de waarde die jij hecht aan de mate van nauwkeurigheid van uitkomst welke methode om je lichaamsvetpercentage te meten voor jou het best is. Of je eenmalig je vetpercentage wilt meten of periodiek speelt natuurlijk ook een rol.

Het opmeten van je vetpercentage kan een waardevol hulpmiddel zijn om je fysieke progressie te monitoren, maar het is belangrijk om te besezen dat geen enkele methode volledig accuraat is. Of je nu kiest voor de eenvoudig te berekenen BMI, de toegankelijke US Navy-methode, de moderne, maar minder nauwkeurige bio-impedantiemeting, of de traditionele huidplooimeting-elke methode heeft zijn eigen voor- en nadelen. De sleutel ligt in consistentie: kies een methode die voor jou het beste werkt, en meet regelmatig op dezelfde manier om je voortgang bij te houden. Uiteindelijk is je vetpercentage slechts een cijfer; het belangrijkste is hoe jij je voelt en hoe jouw lichaam functioneert.

Gezonde Vetpercentages

Idealiter wil je als man het liefst rond de 9-15% bodyfat zitten voor het opbouwen van spiermassa. Zit je met je vet% daar boven, bouw je relatief gezien meer vet dan spiermassa op. Daarom streven wij er ook altijd naar om onze cliënten richting dat niveau te krijgen voordat we gaan ‘lean bulken’. Het is dus verstandiger om tussen de 9-15% vetpercentage als man zijnde spiermassa op te bouwen.

Voor vrouwen geldt in het algemeen dat ze een hoger vetpercentage hebben dan voor mannen. Vrouwen zijn evolutionair ingesteld en hormonaal zo verankerd, dat ze beter presteren dan mannen. Terwijl het vetpercentage van een atletische, getrainde vrouw bij wijze van voorbeeld op 18-20% ligt, ligt die van een atletische, getrainde man slechts op 10-15%. Hieruit blijkt dat de fysieke gesteldheid van het vrouwelijk lichaam hierop voorbereid is, een baby te krijgen en te voeden. Vetreserves helpen daarbij natuurlijk.

Een te laag vetpercentage kan leiden tot een verzwakt immuunsysteem, hormonale stoornissen en een verhoogd risico op blessures. De snelste methode om je lichaamsvetpercentage te verbeteren, is ook heel eenvoudig. Voor de lichaamsvetpercentage calculator heeft u de juiste band, waarmee u de Toepassingsgebied op verschillende Lichaamsdelen kunt instellen.

Richtlijnen voor een Gezond Vetpercentage (Sporters)
Categorie Mannen Vrouwen
Essentieel lichaamsvet ~5% ~15%
Gezond totaal lichaamsvetpercentage 10-20% 20-30%
Westers gemiddelde ~15% ~35%

Houd er rekening mee dat de waarden dienen als algemene richtlijnen en er moet rekening worden gehouden met individuele verschillen en gezondheidstoestanden.

Middelomtrek meten doe je zo #gezondgewicht

tags: #bodybuilden #eigen #vet #percentage #meten