De schouder vormt de verbinding tussen de bovenarm en het lichaam. Het schoudergewricht is de verbinding tussen de drie botten van de schouder: de bovenarm, het schouderblad en het sleutelbeen. Het glenohumerale gewricht, ook wel bekend als het GH-gewricht, is een essentieel onderdeel van dit complexe systeem.
Het Glenohumerale Gewricht: Een Kogelgewricht van de Schouder
Het glenohumerale gewricht zit tussen het schouderblad en de bovenarm en zorgt dat de bovenarm kan bewegen in de schouderkom. Het gewricht bestaat uit twee botten; de kom die in het schouderblad zit, en de kop van het opperarmbeen. Op beide botten zit kraakbeen, een gladde en elastische laag die functioneert als schokdemper en ervoor zorgt dat de schouder soepel kan bewegen. Dit gewricht is net als de heup een kogelgewricht. In dit gewricht is de kom veel kleiner dan de kop. Hierdoor is de bovenarm gemakkelijk in bijna alle richtingen te bewegen.
Het schoudergewricht[1][2] of articulatio humeri[3] -ook wel glenohumerale gewricht of articulatio glenohumeralis genaamd- vormt de verbinding tussen de bovenarm en de romp. Het gewricht bestaat uit de kop van de bovenarm (lat.: caput humeri) die in een komvormige uitsparing van het schouderblad (lat.: scapula) rust. Het valt op dat de kop van de bovenarm veel groter is dan de kleine gewrichtskom. De schouder heeft de vorm en de functie van een kogelgewricht. Er kan daarom om drie verschillende draaiassen worden bewogen. De bewegingsmogelijkheden van de bovenarm worden vergroot dankzij de schoudergordel, die wordt gevormd door het schouderblad en het sleutelbeen (lat.: clavicula). De schoudergordel rust via het gewricht tussen het sleutelbeen en het borstbeen (lat.: sternum) op de thorax. Deze grote beweeglijkheid in het gewricht gaat echter ten koste van de gewrichtsstabiliteit. Schouderluxaties (uit de kom) komen dan ook frequent voor. De frequentste luxatie is een luxatie naar voren omdat het gewricht met name aan de voorzijde nauwelijks door gewrichtsbanden wordt ondersteund. De kom wordt daarom enigszins vergroot door de aanwezigheid van een kraakbeenring ("labrum articulare") om de gewrichtsholte.
Het GH-gewricht spreekt eigenlijk voor zich, het is een kop-komgewricht en alle kanten draaien op draaien. De kop van het humerus (ofwel je opperarmbeen) komt met de “lesser tuberosity” oftewel de Tuberculum minor tegen het AC-gewricht aan, wat de uiterste range van het GH-gewricht aangeeft.

Spieren, Pezen en Stabiliteit van de Schouder
Omdat de kop van de bovenarm groter is dan de kom in het schouderblad is het schoudergewricht erg flexibel, maar bestaat er ook gevaar dat de bovenarm uit de kom schiet (schouderluxatie). Om de schouder te verstevigen zit er een ring van kraakbeen om de schouderkom (labrum) en een gewrichtskapsel van bindweefsel. Hier omheen zitten de spieren. De spieren zorgen ervoor dat we de schouder kunnen bewegen. De beweging in het schoudergewricht is afhankelijk van een groep van 4 spieren (rotatoren). Deze spieren worden door pezen verbonden aan het bot.
Het gewrichtskapsel, de spieren en de pezen vormen samen de cuff, een beschermlaag voor het gewricht. Gewrichtsbanden en het gewrichtskapsel zorgen ervoor dat de botten stevig bij elkaar blijven. Op de plekken waar wrijving kan ontstaan tijdens het bewegen van de arm, zitten slijmbeurzen. Een slijmbeurs is een holte met een stroperige vloeistof, die ervoor zorgt dat het gewricht soepel beweegt.
Er zitten 17 spieren vast aan de schouder. Ze helpen bij het bewegen en stabiliseren van de schouder. De belangrijkste groep spieren zijn de Rotator cuff spieren. De pezen en spieren van de rotator cuff zorgen voor stabiliteit. De rotator cuff is een groep van vier spieren die de schouderkop goed in de kom houden. Ze bieden actieve stabiliteit en helpen bij de draaibewegingen van de bovenarm. De rotator cuff bestaat uit de m. teres major, m. supraspinatus, m. infraspinatus en de m. subscapularis. De spieren hechten op verschillende plekken van het schouderblad aan en verbinden deze met de bovenarm.
De spieren van de zogeheten rotatorenmanchet (of rotator cuff) houden de kop van de bovenarm in de gewrichtskom van het schouderblad en trekken het gewrichtskapsel strak. De pezen van de rotatorenmanchet vormen immers een nauwe verbinding met het gewrichtskapsel. De origo van deze spieren zijn verscheidene randen van het schouderblad. Enkel de musculus subscapularis verloopt aan de voorzijde van het schouderblad en hecht aan het tuberculum minus van het opperarmbeen. De andere drie spieren van de rotatorenmanchet verlopen langs de ruggezijde. De insertie van deze spieren geschiedt aan het tuberculum majus van het opperarmbeen.
De Rol van de Biceps Brachii
De musculus biceps brachii is geen lid van de rotatorenmanchet, maar draagt (ten dele) wel bij aan de schouderstabiliteit. De spier bestaat uit twee koppen: een korte (caput breve) en een lange (caput longum). De korte kop hecht aan de processus coracoides van het schouderblad aan, en draagt in tegenstelling tot de lange kop niet bij tot de schouderstabiliteit.
De Biceps Brachii is aan de voorzijde van de bovenarm gelegen en wordt ook wel de ‘spierbal’ genoemd. De spier bestaat uit twee spierkoppen: de lange kop (caput longum) en de korte kop (caput breve). De lange kop begint bij het uitsteeksel net boven de kom van de schouder en de korte kop begint bij het ravenbekuitsteeksel van het schouderblad. De biceps heeft het buigen van de elleboog, het naar buiten (open draaien) van de arm en pols en het voorwaarts heffen van de arm als functie.
De lange kop van de biceps, biceps caput longum, heeft een beloop tot in het gewricht. Hierdoor speelt hij een aparte rol bij het ontstaan van schouderpijn. De bicepspees kan pijn doen door trauma, overbelasting, instabiliteit van de schouder, ouderdom, hoogstand van de kop van de bovenarm, cuffruptuur, ontsteking van de bicepsschede, reuma of andere ziektes.
De m. biceps brachii caput longum heeft door zijn intra-articulair verloop een caudaliserende functie over het caput humeri. Verder is het een belangrijke stabilisator van het caput humeri om translaties naar anterior tegen te gaan. Bij ventrale instabiliteiten is de centraliserende invloed van de m. biceps groter dan die van de andere protectors.
Als de bovenarm geëxoroteerd is in het glenohumerale gewricht, heeft de lange kop van de m. biceps brachii de functie van abductie en anteflexie van de arm in het GH-gewricht.

Schoudergewrichten en hun Samenwerking
Het schouder gewricht is niet één, maar zijn eigenlijk 3 gewrichten die allemaal samenwerken. De drie schoudergewrichten zijn: het Acromioclaviculair gewricht, ofwel het AC-gewricht, het Glenohumeraal gewricht, ofwel het GH-gewricht, en het Scapulathoracaal of het ST-gewricht. Deze drie gewrichten moeten allemaal goed samenwerken om een optimale schoudergezondheid te hebben. Het vierde gewricht is het SC-gewricht of het Sternoclaviculaire gewricht.
Het AC-gewricht
Het AC-gewricht wordt gevormd door het sleutelbeen (het Calvicula) met het schouderdak ofwel het Acromion. Het processus coracoideus zit onder het AC-gewricht. Dit is een klein dun haakvormige botuitsteeksel dat bij het schouderblad hoort. Hieraan hechten zich diverse pezen en gewrichtsbanden. Ze stabiliseren, samen met het schouderdak, het schoudergewricht. Dankzij het AC-gewricht is het onder andere mogelijk dat wij onze armen boven het hoofd kunnen tillen. Als je de arm optilt, beweegt het sleutelbeen omhoog. Ook is er een rotatie van het sleutelbeen. Als het sleutelbeen en/of het acromion bewegen, vindt er beweging plaats in het AC gewricht. Het AC-gewricht komt pas in werking als de arm hoger dan 90 graden wordt opgetild.
Het Scapulathoracaal Gewricht
Om te beginnen, is dit eigenlijk geen echt gewricht, maar meer een glijvlak. Dit wordt gevormd door het schouderblad wat over de ribbenkast (thorax) beweegt. De schouder-uitslag wordt vergroot doordat het schouderblad meebeweegt. Dit mechanisme is ook grotendeel verantwoordelijk voor onder andere het heffen van de schouders. Ook de cervicale wervels draaien op het laatste moment nog wat mee waardoor de schouder nog net iets verder bewogen wordt.
Het scapulahumeraal ritme is de coördinatie tussen de bewegingen van de humerus (bovenarm) en de scapula (schouderblad) tijdens het optillen van de arm. Dit ritme is essentieel voor een efficiënte schouderfunctie en het behoud van stabiliteit in het schoudergewricht. De klassieke verhouding is ongeveer 2:1: voor elke 2 graden beweging van de humerus, roteert de scapula 1 graad.
Scapulaire dyskinesie (ook wel verstoord scapulothoracaal ritme genoemd) betekent dat één of beide schouderbladen niet goed bewegen. Vaak krijg je daardoor ook pijnklachten. Het schouderblad (de scapula) heeft een aantal functies: het is een vaste punt bij bewegingen van de schouderkop, het laat de bewegingen van de schouders naar voren en naar achteren toe, het zorgt voor het heffen van het schouderdak bij bovenhandse bewegingen en het kan de voorspanning op de omliggende spieren van de scapula behouden.
Schouderbladdyskinesie en schouderpijn
Veelvoorkomende Schouderklachten en de Rol van de Biceps
Een schouderimpingement is het inklemmen van één of meerdere structuren tussen het schouderdak en de kop van het bovenarm. Hierdoor raakt een pees of slijmbeurs ingeklemd. Het komt regelmatig voor bij overbelasting of een verkeerde houding. Een andere oorzaak kan een instabiliteit in de rotator cuff spieren zijn. Hierdoor komt de kop wat hoger in de kom te staan en wordt de ruimte onder het schouderdak, die al klein is, dus nog kleiner. Daardoor krijg je kleine beschadigingen of irritatie. Een slechtere kwaliteit van het peesweefsel door bijvoorbeeld veroudering, komt voor.
Een frozen shoulder kan ontstaan na een operatie, val of een overbelasting. Iemand met een frozen shoulder heeft een zeurende pijn met regelmatig pijnlijke steken. De schouder beweegt slecht en dagelijkse activiteiten worden lastig. De ‘bevriezende’ fase varieert in duur van 6 weken tot maximaal 9 maanden. In deze fase neemt de pijn geleidelijk toe en de beweeglijkheid van de schouder neemt af. De ‘bevroren fase waarin de meest heftige pijn afneemt, maar de stijfheid blijft. Dit duurt meestal tussen de 4 en 9 maanden. In de ‘ontdooi’ fase verdwijnt de pijn steeds meer naar de achtergrond. In principe bevriest de schouder zijn eigen vrijheidsgraden. Door langzaam weer vertrouwen te geven, kan de schouder zijn werk weer doen.
Schouderpijn aan de voorzijde van de schouder, pijn bij het gooien, of pijn bij het heffen van de arm kan mogelijk spelen de biceps ook een rol bij de klachten. De biceps kan alleen, maar heel vaak ook naast andere structuren in de schouder, verantwoordelijk zijn voor pijn in de schouder.
Een overbelasting van de biceps spier kan resulteren in pijn aan de voorzijde van de schouder. Dit kan komen door een irritatie van één van de twee pezen of het kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van referred pain van eventuele triggerpoints in de biceps. Deze spierknopen kunnen namelijk niet alleen lokale pijn, maar ook pijn op afstand veroorzaken. Zo kan pijn aan de voorzijde van de schouder het gevolg zijn van een blessure aan de biceps.
Een bicepspees kan scheuren ten gevolge van een plotselinge, grote kracht op de pees of een herhaaldelijke, overbelasting van de pees. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren bij zwaar tillen of intensief gewichtheffen. Een pees die al van verminderde kwaliteit is, zoals bij een biceps tendinopathie, zou op den duur ook kunnen scheuren. Ook kan de bicepspees beschadigd raken ten gevolge van een labrumletsel. Dit is letsel aan de kraakbeenring van de schouder. Bij een biceps scheur wordt men vaak geopereerd om de scheur te herstellen en volgt men daarna een revalidatietraject.

Schouderbladdyskinesie en schouderpijn
tags: #biceps #brachii #glenohumeraal #gewricht