Vetpercentage bij Vrouwen: Wat is Gezond?

Je vetpercentage zegt vaak iets over hoe gezond je leeft. Maar hoe meet je je vetpercentage? En wat is ideaal? Je lichaam bestaat voor (meer dan) de helft uit vocht, en verder ook uit spieren, botten en weefsels. Doe je veel aan krachttraining, dan zal je spierpercentage hoger dan gemiddeld zijn. Een gezonde levensstijl kan je deze waarden op peil houden.

Wanneer je het over vetpercentage hebt, bedoel je hoeveel van je totale lichaamsgewicht uit vet bestaat. Weeg je bijvoorbeeld 70 kilo en bestaat daarvan 14 kilo uit vet, dan is je vetpercentage 20%. Niet al het lichaamsvet is hetzelfde. Er wordt onderscheid gemaakt tussen essentieel vet en opslagvet. Essentieel vet zit onder andere rond organen, in beenmerg en in het zenuwstelsel. Je lichaam heeft dit vet nodig voor basale functies zoals het reguleren van je lichaamstemperatuur, het aanmaken van hormonen en het beschermen van organen. Opslagvet is het vet dat zich ophoopt in vetweefsel, deels rond de organen in de buik- en borstholte en deels direct onder de huid. Dit vet dient als energiebuffer.

Onderzoek toont aan dat oestrogeen ervoor zorgt dat vrouwen meer vet opslaan dan mannen. Het gemiddelde vetpercentage ligt daarom bij vrouwen tussen de 25 en 31%, maar alles tussen de 21 en 31% kan (voor jonge vrouwen) als gezond beschouwd worden. Mannen zijn van nature een stuk 'droger' dan vrouwen, wat ook terug te zien is in het gemiddelde vetpercentage van 18 tot 25%.

Wat als gezond wordt beschouwd, verschilt sterk per geslacht, leeftijd en mate van lichamelijke activiteit. Over het algemeen ligt een gezond vetpercentage bij mannen lager dan bij vrouwen. Voor volwassen mannen wordt vaak een range van ongeveer 10-20% als gezond gezien, voor vrouwen ligt dat rond de 20-30%. Topsporters zitten daar doorgaans onder, terwijl het vetpercentage bij ouderen van nature wat hoger ligt.

Zoals je in de eerder genoemde tabellen kunt aflezen is de norm voor een gezond vetpercentage bij mannen verschillend ten opzichte dat van vrouwen. Dit zie je ook terug in de bovenstaande afbeelding waarbij de vetopslag bij vrouwen doorgaans anders is dan die van mannen. Bij vrouwen hoopt vet zich meestal niet op rond de buik, maar op benen, heupen en billen. Bij vrouwen tel je gemiddeld genomen 8-10% erbij. Omdat de vrouw vaak meer vet rondom de heupen en borst hebben en een relatief lagere vetvrije massa. Hierdoor ligt het percentage altijd iets hoger. Dit betekent niet dat dit dan ook meer negatieve gezondheidseffecten heeft. Met name te veel buik- en visceraal vet verhoogt bij zowel bij mannen als vrouwen het risico op onder andere diabetes type 2 en aderverkalking.

Een te hoog vetpercentage is meestal ongezond en wordt ook wel overgewicht genoemd. Over het algemeen geldt: hoe groter het overgewicht, hoe groter de kans en hoe ernstiger de klachten. Een sixpack is een leuk streven, maar sla niet door met afvallen, want te weinig vet is ook niet gezond. Voor vrouwen is de ondergrens 14% en bij mannen 6%. Heb je een erg laag vetpercentage, dan heeft je lichaam weinig reserves en kan je je gauw moe en lusteloos voelen. Ook kan het de hormoonhuishouding verstoren.

Een te hoog en laag vetpercentage is ongezond. Een te hoog vetpercentage zorgt voor een verhoogde kans op hart- en vaatziekten en diabetes. Ook een te laag vetpercentage is ongezond en leidt tot slechtere sportprestaties. Extreme voorbeelden hiervan zijn topsporters met zo’n laag vetpercentage dat ze suboptimaal presteren, bodybuilders die hun kracht verliezen door een extreem dieet of mensen met anorexia nervosa waarbij de mentale en fysieke gezondheid in gevaar komt. Verder is vet ook belangrijk voor een goede hormoonwerking en opnames van vetoplosbare vitamines. Er bestaat een zogenoemde ‘sweet spot / range’ waarbij je gewicht in optimale verhouding is met je prestatie en gezondheid. Stem dit af met een professional die je hierover kan adviseren.

De onderstaande percentages geven een indicatie of je vetpercentage gezond is. Twijfel je hierover? Bij mannen wordt de gehele sixpack zichtbaar rond de 12-10% lichaamsvet. Bij vrouwen wordt de gehele sixpack zichtbaar rond de 19-21% lichaamsvet. Het trainen van je buikspieren helpt niet om je buikspieren beter zichtbaar te maken. Het verlagen van je vetpercentage is hiervoor essentieel.

De queteletindex (QI) of body mass index (BMI) is een index die de verhouding tussen lengte en gewicht bij een persoon weergeeft. De BMI wordt veel gebruikt om een indicatie te krijgen of er sprake is van overgewicht of ondergewicht. De BMI kan niet gebruikt worden als betrouwbare maat voor overgewicht bij een individu, aangezien individuele verschillen in lichaamsbouw niet in de berekening worden meegewogen (verhouding van spier-, bot- en vetweefsel). Een bodybuilder kan veel spiermassa hebben en zeer weinig vet, waardoor een berekening van de verhouding van lengte en gewicht een hoog BMI kan geven, terwijl veel bodybuilders weinig vet hebben en men volgens de standaardberekening overgewicht zou hebben.

In de geneeskunde wordt desondanks de BMI wel veel gebruikt. In de dagelijkse medische praktijk is de BMI goed bruikbaar en voldoende betrouwbaar. Dit geldt met name bij grotere afwijkingen zoals ondergewicht en overgewicht. Ook bij kleine mensen is de BMI niet bruikbaar. Voor sommige Aziatische populaties geldt dat het vetpercentage hoger is bij eenzelfde BMI dan voor Westerse mensen.

De queteletindex is genoemd naar en bedacht door de Gentenaar Adolphe Quetelet (1796-1874). Van oorsprong was hij wiskundige en sterrenkundige, maar hij interesseerde zich ook voor sociale statistiek en maakte grafieken van bijvoorbeeld de sterftecijfers per maand in Brussel. Hij ontwikkelde ook ideeën over de "gemiddelde mens". Hij deed metingen bij dienstplichtigen, waardoor hij een pionier van de antropometrie en biostatistiek was. Hij gaf zijn resultaten in grafieken weer. De BMI wordt sinds de jaren 90 onder andere door de Wereldgezondheidsorganisatie en de Amerikaanse overheid gebruikt.

Hoewel de BMI een eenduidig criterium lijkt, wordt de betekenis van deze maat in Nederland in zowel de wetenschappelijke als maatschappelijke overgewichtarena en ondergewichtarena betwist. Onder epidemiologen, bewegingswetenschappers en partijen als de Obesitasvereniging wordt de BMI anders gepercipieerd en gevalideerd. De BMI is oorspronkelijk opgezet om statistieken over groepen mensen te krijgen en niet om over- of ondergewicht van individuele mensen te bepalen. De exacte waarden van de index om iemand in een categorie in te delen variëren. De index doet namelijk geen uitspraak over het percentage vet in het lichaam van de persoon. Zwaar gespierde mensen (bodybuilders) kunnen dus in verhouding tot hun lengte een hoog gewicht hebben, maar worden over het algemeen niet als obees beschouwd. Het lichaamsgewicht alleen is dus geen goede indicator voor onder- of overgewicht. Er moet worden gecompenseerd voor lichaamsbouw.

Het bijzondere van de BMI is dat deze voor mannen en vrouwen vrijwel gelijk uitvalt, hetgeen voor biometrische getallen zeldzaam is. Daarnaast is deze index redelijk onafhankelijk van de leeftijd. Een waarde van de index van minder dan 18,5 duidt op ondergewicht. Ondergewicht kan veroorzaakt worden door ondervoeding, een eetstoornis of door een ander gezondheidsprobleem. Vanaf een index van 25 wordt van (licht) overgewicht gesproken. Boven een waarde van 30 is er sprake van ernstig overgewicht of obesitas. Een waarde hoger dan 40 duidt op morbide obesitas of ziekelijk overgewicht.

Veel consumenten en zorgaanbieders gebruiken de BMI als indicator voor leefstijl of gezondheid. Al in een vroeg stadium zou een waarde die neigt naar onder- of overgewicht moeten leiden tot een review van levensstijl of gezondheid. Het tijdig sturen op gedragsveranderingen of oplossen van onderliggende psychische of fysieke oorzaken kan ernstig afwijkende BMI-waarden voorkomen. Zeer grote afwijkingen zijn vaak het gevolg van het langdurig negeren van onderliggende oorzaken. Bij een queteletindex van boven de 40 en een leeftijd tussen de 18 en 65 jaar komt men in aanmerking voor een bariatrische chirurgische ingreep, dat wil zeggen een operatie om invloed uit te oefenen op het gewicht. In 1998 is de BMI-norm voor overgewicht verlaagd van 27+ naar 25+ en is de leeftijdsgroep gesplitst in 19-69 jaar en 70 jaar en ouder.

In de Verenigde Staten is in 1994 geconstateerd dat 57% van de Amerikaanse mannen en 49% van de vrouwen een index hoger dan 25 hebben. 2% van de mannen en 4% van de vrouwen zijn zo zwaar dat ze een index van 40 hebben. In Nederland wonen rond 350.000 mannen (2%) en 500.000 vrouwen (3%) met een index van 30 of meer (2004). In 2012 was dat volgens het RIVM 13% van de bevolking.

Ook voor kinderen is de BMI een snelle en gemakkelijke methode om overgewicht te bepalen. Daarvoor moeten echter aangepaste grenswaarden worden gebruikt. Tijdens de groeifase (tot en met 21 jaar) verandert namelijk de hoeveelheid vetweefsel.

Nog een andere, conceptueel simpele maar in de praktijk niet altijd eenvoudig meetbare indicator voor een gezond gewicht is de tailleomtrek. Een tailleomtrek van minder dan 80 cm bij vrouwen of van minder dan 94 cm bij mannen wordt in Nederland als indicator van een normaal gewicht gezien. In de VS hanteert het Center for Disease Control andere waarden. Bijkomend probleem bij de tailleomtrek is dat deze op een vast punt gemeten moet worden. Een verschuiving van slechts enkele centimeters naar boven of onder rond de taille levert een relatief grote verandering in het omtrekcijfer op. Het voordeel van de tailleomtrek is het meer rekening houdt met buikvet. In september 2006 werden op de modeshow van Madrid enkele modellen geweigerd omdat hun BMI lager dan 18 was.

Hoe kom je er nou achter hoeveel vet jij in je lijf hebt? Er bestaan verschillende methoden om het vetpercentage te bepalen, elk met hun eigen nauwkeurigheid. Huidplooimetingen: met een speciale tang (caliper) wordt op meerdere plekken de dikte van een huidplooi gemeten. Bio-elektrische impedantieanalyse (BIA): hierbij wordt een zwak elektrisch stroompje door het lichaam gestuurd. Omdat vet en spierweefsel de stroom verschillend geleiden, kan het apparaat een schatting maken van de lichaamssamenstelling. DEXA-scan: een röntgentechniek die nauwkeurig onderscheid maakt tussen botmassa, vetmassa en vetvrije massa. Omtrekmaten en formules: op basis van lichaamsomtrekken (zoals taille en heup) en lengte kan het vetpercentage worden geschat.

Je kunt op een aantal manieren je vetpercentage berekenen. Hieronder vind je een overzicht van de twee meest gangbare methoden, namelijk de huidplooimeting en de bio-elektrische impedantieanalyse. Een huidplooimeting kan op verschillende manieren uitgevoerd worden. Hierbij wordt een huidplooi gepakt en gemeten met de meettang. Het aantal huidplooien dat je meet varieert van 3 tot 12. Dit kan je (trainings)partner doen of een deskundige professional of diëtist in de sportschool. Deze methode wordt afgeraden bij mensen met overgewicht, omdat het vrij pijnlijk of lastig is om een grote huidplooi te meten. Kies een huidplooimeter met een nauwkeurige aanduiding van het aantal milliliters. Belangrijk is dat je op de juiste plek het vet en de huid vastpakt en niet de onderliggende spieren. Probeer elke keer dezelfde persoon te vragen voor een huidplooimeting. Mensen meten namelijk op andere plekken en nemen verschillende diktes. Door elke keer dezelfde persoon te kiezen, ben je er zekerder van dat je een verschil ontdekt.

Bij de bio-elektrische impedantieanalyse loopt er een klein stroomstootje (meestal vanaf de handen en/of voeten) door het lichaam. Hierbij wordt de geleiding gemeten aan de hand van de weerstand. Weefsel met veel water en elektrolyten, zoals bloed en spieren, geleiden goed. Vetmassa, lucht of bot daarentegen geleiden nauwelijks stroom. Dus hoe groter de vetvrije massa, des te groter het geleidingsvermogen van het lichaam. Het voordeel van deze methode is dat het makkelijk en goedkoop is. Een groot nadeel is de onvoldoende gevalideerde toepassing ervan bij zieke en/of oudere personen. Waarschijnlijk is er bij deze personen sprake van storende factoren, zoals veranderingen in membraaneigenschappen en de mate van hydratatie en zoutconsumptie waardoor de meting onbetrouwbaar wordt. Bovendien is de methode minder betrouwbaar dan een goede huidplooimeting of een waterbad, die hieronder worden beschreven. Vertrouw daarnaast zeker niet op de vetpercentagemeting van een ‘slimme’ weegschaal die je thuis hebt.

Een BIA is een meting waarbij de weerstand wordt gemeten die het lichaam biedt aan een wisselstroom op 50kHz. Heb je geen toegang tot deze apparatuur? Online calculator.

De oplossing voor overgewicht is eenvoudig, maar niet gemakkelijk: om tot een gezond vetpercentage te komen, zal je moeten afvallen. Zorg dat je minder calorieën binnenkrijgt dan je verbrandt. Je kan meer gaan sporten of gezonder gaan eten waardoor je juist minder binnenkrijgt.

Het vetpercentage verlagen is in theorie heel simpel. Dit doe je door af te vallen. Oftewel, minder eten dan je nodig hebt. De belangrijkste factor bij afvallen is de energiebalans. Je lichaam gebruikt energie die je binnenkrijgt via eten en drinken, of slaat de energie op. Als je minder energie binnenkrijgt dan je nodig hebt, val je af. Beweging en sport kan bijdragen aan het verbranden van calorieën. Maar moet je nu vooral aan krachttraining of cardio doen om af te vallen?

De uitkomst hiervan is een mogelijke indicator voor gezondheidsrisico's zoals diabetes type 2, insulineresistentie en hart- en vaatziekten. Om dit te bepalen, deel je de taille-omtrek door de heupomtrek. Bij vrouwen wordt aangeraden dat dit getal niet hoger is dan 0,80. Mannen wordt een bovengrens van 0,95 aangeraden. Deze richtlijnen zijn echter gebaseerd op onderzoeksresultaten van West-Europeanen en Amerikanen. Ze zijn daardoor niet toepasbaar op alle afkomsten en typen van lichaamsbouw. Onderzoek suggereert dat verschillende etniciteiten mogelijk een andere vetopslag en bouw hebben. Kijk wanneer je overgewicht hebt naar de verhouding tussen de taille-omtrek en heupomtrek en zorg ervoor dat je taille-omtrek afneemt in verhouding met de heupomtrek. Hierbij geldt: elke centimeter minder is bij overgewicht een stap in de goede richting.

Ons team ziet dat steeds meer mensen zich focussen op het vetpercentage in plaats van het gewicht. Aan de ene kant is dit goed, aangezien je gewicht niet alles zegt over de verhouding tussen je spiermassa en je vetmassa. Je vetpercentage geeft een beter beeld van je gezondheidsstatus. Ondanks dat raden wij je aan om niet blind te staren op deze cijfertjes. We zijn van mening dat er door sporters en vooral (jonge) meiden onnodig veel aandacht aan wordt besteed. Ten eerste is het moeilijk om je vetpercentage goed op te meten. Dit is een lastige meting waarbij je vaak ziet dat de uitkomst tussen metingen op hetzelfde moment verschilt. Onze voorkeur gaat uit naar progressiefoto’s, waarbij je eens per twee tot vier weken een foto maakt met hetzelfde licht, kleding en op hetzelfde tijdstip. Bekijk dit zelf en vergelijk het verschil. De tweede reden is dat een laag vetpercentage (zie tabel hierboven) ongezond én niet bevorderlijk is voor je sportprestaties.

Ten slotte wil ik dit artikel afsluiten met het onderwerp bruin vet. Misschien is het je wel eens opgevallen dat het zogenoemde bruin vet steeds meer aan populariteit wint? En dat is niet zonder reden. Bruin vet is namelijk een gezond soort vet, én het hebben van meer bruin vet kan vetverbranding en afvallen stimuleren. Dat is een voorzichtige conclusie die we uit recente onderzoeken kunnen trekken. Helaas staat onderzoek naar dit onderwerp nog in de kinderschoenen, dus het is nog even afwachten in hoeverre we bruin vet kunnen inzetten voor gewichtsverlies en onze algehele gezondheid.

Veel sporters die aan een gewichtklasse gebonden zijn, zorgen ervoor dat dit vetpercentage aangepast is. Gezondheidsinstanties, zoals het Voedingscentrum, raden vetpercentages aan van tien tot vijftien procent bij mannen en twintig tot vijfentwintig procent bij vrouwen. Bij percentages onder de vijf procent bij mannen is het afweersysteem verzwakt. Bij vrouwen met een laag vetpercentage daalt de vruchtbaarheid, dit is bijvoorbeeld te merken aan het uitblijven van de menstruatie.

Het vetpercentage van het lichaam is zeer belangrijk. Doordat het lichaam niet sterker wordt bij een hoog vetpercentage, is het vetpercentage het eerste punt, waarop gewicht bezuinigd kan worden.

Verschillen in vetpercentage tussen mannen en vrouwen

De body mass index (BMI) biedt een maat die de vergelijking van de adipositeit van individuen van verschillende lengtes en gewichten mogelijk maakt. Hoewel de BMI grotendeels toeneemt naarmate de adipositeit toeneemt, geven andere indicatoren van lichaamsvet, vanwege verschillen in lichaamssamenstelling, nauwkeurigere resultaten; bijvoorbeeld, individuen met een grotere spiermassa of grotere botten zullen hogere BMI's hebben.

Epidemiologisch varieert het lichaamsvetpercentage bij een individu naar geslacht en leeftijd. Er bestaan verschillende theoretische benaderingen over de relaties tussen lichaamsvetpercentage, gezondheid, atletische capaciteit, enzovoort. Bij mannen varieerde het gemiddelde lichaamsvetpercentage van 23% op 16-19-jarige leeftijd tot 31% op 60-79-jarige leeftijd. Bij vrouwen varieerde het gemiddelde lichaamsvetpercentage van 32% op 8-11-jarige leeftijd tot 42% op 60-79-jarige leeftijd.

Bodybuilders kunnen concurreren in het essentiële lichaamsvetbereik. Gecertificeerde personal trainers zullen concurrenten adviseren om dat extreem lage vetniveau alleen voor de wedstrijd te handhaven.

Ongeacht de plaats van herkomst, bestaan de vetcellen bij mensen bijna volledig uit pure triglyceriden met een gemiddelde dichtheid van ongeveer 0,9 kilogram per liter. Met een goed ontworpen weegsysteem kan de lichaamsdichtheid met grote nauwkeurigheid worden bepaald door een persoon volledig onder water te dompelen en het volume van het verplaatste water te berekenen uit het gewicht van het verplaatste water. Er wordt een correctie aangebracht voor de opwaartse kracht van lucht in de longen en andere gassen in de lichaamsruimtes.

Whole-body air displacement plethysmography (ADP) is een erkende en wetenschappelijk gevalideerde densitometrische methode om het lichaamsvetpercentage te meten. ADP gebruikt dezelfde principes als de gouden standaard methode van onderwaterwegen, maar vertegenwoordigt een densitometrische methode die gebaseerd is op luchtverplaatsing in plaats van onderdompeling in water. Luchtdisplacement plethysmography biedt verschillende voordelen ten opzichte van bestaande referentiemethoden, waaronder een snel, comfortabel, geautomatiseerd, niet-invasief en veilig meetproces, en aanpassing aan verschillende subjecttypen (bijv. kinderen, obese, ouderen en gehandicapten).

Echter, de nauwkeurigheid neemt af bij extreme lichaamsvetpercentages, met een neiging om het lichaamsvetpercentage bij te zware en obese personen licht te onderschatten (met 1,68-2,94% afhankelijk van de berekeningsmethode), en om het lichaamsvetpercentage bij zeer magere subjecten aanzienlijk te overschatten (gemiddeld 6,8%, met een overschatting tot 13% van het gerapporteerde lichaamspercentage van één individu - d.w.z.

Een straal infraroodlicht wordt in een biceps gestuurd. Het licht wordt gereflecteerd door de onderliggende spier en geabsorbeerd door het vet. Röntgenstralen van twee verschillende energieën worden gebruikt om het lichaam te scannen, waarvan er één sterker wordt geabsorbeerd door vet dan de andere. Een computer kan het ene beeld van het andere aftrekken, en het verschil geeft de hoeveelheid vet aan ten opzichte van andere weefsels op elk punt.

Er zijn verschillende meer gecompliceerde procedures die het lichaamsvetpercentage nauwkeuriger bepalen. Sommige, multicompartimentmodellen genoemd, kunnen DXA-meting van botten omvatten, plus onafhankelijke metingen van lichaamsvocht (met het verdunningsprincipe met isotopisch gelabeld water) en lichaamsvolume (hetzij door waterverplaatsing of luchtplethysmografie). om het vetgehalte te schatten. Deze schatting wordt vervormd door het feit dat spieren en botten verschillende dichtheden hebben: voor een persoon met een bovengemiddelde hoeveelheid botmassa zal de schatting te laag zijn. Deze methode levert echter zeer reproduceerbare resultaten op voor individuele personen (± 1%), in tegenstelling tot de hieronder besproken methoden, die een onzekerheid van 10% of meer kunnen hebben.

De bio-elektrische impedantieanalyse (BIA) methode is een goedkopere (vanaf minder dan honderd tot enkele honderden US dollars in 2006) maar minder nauwkeurige manier om het lichaamsvetpercentage te schatten. Het algemene principe achter BIA: twee of meer geleiders worden aan het lichaam van een persoon bevestigd en een kleine elektrische stroom wordt door het lichaam gestuurd. De weerstand tussen de geleiders biedt een maat voor lichaamsvet tussen een paar elektroden, aangezien de weerstand tegen elektriciteit varieert tussen vet-, spier- en botweefsel. Vetvrije massa (spier) is een goede geleider omdat het een grote hoeveelheid water (ongeveer 73%) en elektrolyten bevat, terwijl vet anhydraat is en een slechte geleider van elektrische stroom.

Elke (blote) voet kan op een elektrode worden geplaatst, waarbij de stroom door het ene been, over de buik en door het andere been wordt gestuurd. (Voor het gemak meet een instrument waar op gestapt moet worden ook het gewicht.) Alternatief kan een elektrode in elke hand worden gehouden; de berekening van het vetpercentage maakt gebruik van het gewicht, dus dat moet worden gemeten met weegschalen en door de gebruiker worden ingevoerd. De twee methoden kunnen verschillende percentages opleveren, zonder inconsistent te zijn, aangezien ze vet in verschillende delen van het lichaam meten.

Er is weinig ruimte voor fouten door technici, maar factoren zoals eten, drinken en sporten moeten worden gecontroleerd, aangezien het hydratatieniveau een belangrijke foutbron is bij het bepalen van de stroom van de elektrische stroom om het lichaamsvet te schatten. De instructies voor het gebruik van instrumenten raden doorgaans aan om metingen niet kort na het drinken, eten of sporten te doen, of bij uitdroging. Verschillende BIA-analysers kunnen variëren. Populatie-specifieke vergelijkingen zijn beschikbaar voor sommige instrumenten, die alleen betrouwbaar zijn voor specifieke etnische groepen, populaties en omstandigheden.

Er bestaan verschillende antropometrische methoden voor het schatten van lichaamsvet. De term antropometrisch verwijst naar metingen van verschillende parameters van het menselijk lichaam, zoals omtrekken van verschillende lichaamsdelen of diktes van huidplooien. De meeste van deze methoden zijn gebaseerd op een statistisch model. Sommige metingen worden geselecteerd en toegepast op een populatievoorbeeld. Voor elk individu in het monster worden de metingen van de methode geregistreerd, en de lichaamsdichtheid van dat individu wordt ook geregistreerd, bepaald door bijvoorbeeld onderwaterwegen, in combinatie met een multicompartiment lichaamsdichtheidsmodel.

Omdat de meeste antropometrische formules zoals de Durnin-Womersley huidplooimethode, de Jackson-Pollock huidplooimethode en de US Navy omtrek-methode, eigenlijk de lichaamsdichtheid schatten, niet het lichaamsvetpercentage, wordt het lichaamsvetpercentage verkregen door een tweede formule toe te passen, zoals de Siri of Brozek beschreven in het bovengenoemde gedeelte over dichtheid. Deze methoden zijn daarom inferieur aan een directe meting van de lichaamsdichtheid en de toepassing van slechts één formule om het lichaamsvetpercentage te schatten.

Het belangrijkste probleem met alle statistisch afgeleide formules is dat ze, om breed toepasbaar te zijn, gebaseerd moeten zijn op een brede steekproef van individuen. Toch maakt die breedte ze inherent onnauwkeurig. De ideale statistische schattingsmethode voor een individu is gebaseerd op een steekproef van vergelijkbare individuen. Een huidplooi-gebaseerde lichaamsdichtheidsformule die is ontwikkeld uit een steekproef van mannelijke student-roeiers, zal waarschijnlijk veel nauwkeuriger zijn voor het schatten van de lichaamsdichtheid van een mannelijke student-roeier dan een methode die is ontwikkeld met een steekproef van de algemene bevolking, omdat de steekproef wordt beperkt door leeftijd, geslacht, fitheidsniveau, sporttype en levensstijlfactoren.

De huidplooi-schattingsmethoden zijn gebaseerd op een huidplooitest, ook wel een knijptest genoemd, waarbij een huidplooi precies wordt gemeten met een schuifmaat, ook wel een plicometer genoemd, op verschillende gestandaardiseerde punten op het lichaam om de dikte van het onderhuidse vetweefsel te bepalen. Deze metingen worden door middel van een vergelijking omgezet in een geschat lichaamsvetpercentage. Sommige formules vereisen slechts drie metingen, andere tot wel zeven. De nauwkeurigheid van deze schattingen is meer afhankelijk van de unieke vetverdeling van een persoon dan van het aantal gemeten locaties. Ook is het van het grootste belang om op de juiste plaats te testen met een vaste druk.

De huidplooi-gebaseerde vetpercentage-schatting is gevoelig voor het type schuifmaat dat wordt gebruikt en de techniek. Deze methode meet ook slechts één type vet: onderhuids vetweefsel (vet onder de huid). Twee personen kunnen bijna identieke metingen hebben op alle huidplooilokaties, maar toch sterk verschillen in hun lichaamsvetniveaus vanwege verschillen in andere lichaamsvetafzettingen, zoals visceraal vetweefsel: vet in de buikholte. Sommige modellen pakken dit probleem gedeeltelijk aan door leeftijd als variabele op te nemen in de statistieken en de resulterende formule. Oudere individuen hebben een lagere lichaamsdichtheid voor dezelfde huidplooimetingen, wat wordt aangenomen dat het een hoger lichaamsvetpercentage aangeeft.

Ultrasound wordt uitgebreid gebruikt om weefselstructuur te meten en is een nauwkeurige techniek gebleken om de dikte van onderhuids vet te meten. A-mode en B-mode echografiesystemen worden nu gebruikt en beide maken gebruik van getabelleerde waarden van weefselgeluidssnelheid en geautomatiseerde signaalanalyse om de vetdikte te bepalen. Door diktemetingen op meerdere plaatsen op het lichaam te maken, kunt u het geschatte lichaamsvetpercentage berekenen. Echografietechnieken kunnen ook worden gebruikt om de spierdikte direct te meten en het intramusculaire vet te kwantificeren.

Er bestaan ook formules voor het schatten van het lichaamsvetpercentage uit gewichts- en omtrekmetingen van een individu. De Navy omtrek-methode vergelijkt buik- of taille- en heupomtrekmetingen met nekmeting en lengte en andere locaties beweren het lichaamsvetpercentage te schatten door een omzetting van de body mass index. Het Marine Corps vertrouwt ook op de lengte- en omtrek-methode. Voor mannen meten ze de nek en de taille net boven de navel. Vrouwen worden rond de heupen, taille en nek gemeten. Deze metingen worden vervolgens opgezocht in gepubliceerde tabellen, met de lengte van het individu als aanvullende parameter. Methoden die omtrek gebruiken, hebben weinig acceptatie buiten het Ministerie van Defensie vanwege hun negatieve reputatie in vergelijking met andere methoden.

Lichaamsvet kan worden geschat op basis van de body mass index (BMI), het gewicht van een persoon in kilogrammen gedeeld door het kwadraat van de lengte in meters; als het gewicht in ponden en de lengte in inches wordt gemeten, kan het resultaat door vermenigvuldiging met 703 naar BMI worden geconverteerd. Er zijn een aantal voorgestelde formules die lichaamsvet relateren aan BMI. Lichaamsvet kan worden geschat op basis van de body mass index met formules afgeleid door Deurenberg en collega's. Bij het maken van berekeningen moet rekening worden gehouden met de relatie tussen densitometrisch bepaald lichaamsvetpercentage (BF%) en BMI, leeftijd en geslacht.

Interne en externe kruisvalidatie van de voorspellingsformules toonde aan dat ze geldige schattingen van lichaamsvet opleverden bij mannen en vrouwen van alle leeftijden. Bij obese subjecten overschatten de voorspellingsformules echter licht de BF%. De voorspellingsfout is vergelijkbaar met de voorspellingsfout verkregen met andere methoden voor het schatten van BF%, zoals huidplooidikte-metingen en bio-elektrische impedantie.

#LICHAAM 🧍 | BMI berekenen doe je zo!

tags: #vetpercentage #vrouw #wikipedia